De Vissenkom

Gepubliceerd op 28 mei 2026 om 21:15

De automatische deuren vliegen open. Ik voel direct het contrast tussen de warme hitte van de zon buiten en de koele lucht van de airco binnen. Alsof ik letterlijk een andere wereld instap. De geur raakt me meteen daarna. Koffie. Alcohol. Plastic. Ziekenhuislucht. Een geur die ik jarenlang bijna niet meer geroken heb, maar die mijn lichaam blijkbaar nog altijd herkent. Daarna het geluid.

Klompen die gehaast over de vloer tikken. Het geratel van een brancard dat door de gang echoot. Een monitor die ergens piept. Telefoons. Stemmen. Een ambulancebroeder die al pratend de schuifdeuren doorloopt terwijl hij een patiënt vooruitduwt Alles beweegt hier. De Spoed Eisende Hulp heeft een eigen ritme waar je vanzelf in meegetrokken wordt.

Acht jaar geleden liep ik hier voor het laatst rond. Als coassistent. Te bang om in de weg te staan. Te voorzichtig om hardop mee te denken. Ik herinner me vooral hoe groot alles toen voelde. Hoe artsen moeiteloos leken te functioneren in een wereld die voor mij alleen maar uit snelheid en chaos bestond. En nu trek ik opnieuw een witte jas aan. Niet meer als coassistent. Nu als arts in opleiding tot specialist, en toch voel ik ergens weer diezelfde spanning in mijn borst wanneer ik richting de “vissenkom” loop.

Midden op de afdeling zitten arts-assistenten achter schermen gebogen. Overal witte jassen. Blauwe shirts van verpleegkundigen die met snelle passen langs elkaar bewegen. Een coassistent probeert onopvallend mee te luisteren met een overdracht terwijl hij net iets te hard op zijn toetsenbord typt. Radiologie belt. “CT-scan is klaar.” Een telefoon gaat af. “Ambulance over drie minuten.” Iemand vraagt of er nog koffie gehaald wordt alsof de wereld niet ieder moment kan kantelen. Ik moet er bijna om lachen. “Je went sneller dan je denkt,” zegt een verpleegkundige terwijl ze langsloopt.  Ik hoop dat ze gelijk heeft.

De eerste dag staat officieel als “meekijken” in het rooster. Maar al snel krijg ik mijn eigen patiënten toegewezen. Een man met pijn op de borst. Een vrouw met heftige buikpijn. Een jongen die zijn hand door glas heeft geslagen maar stoerder probeert te kijken dan hij zich voelt. Ik merk hoe anders alles hier is dan in de huisartspraktijk. Daar draait het vaak om vertragen. Om luisteren. Om tijd nemen. Hier voelt alles scherper. Directer. Sneller.

“Wat denk je zelf dat er aan de hand is?” vraagt de SEH-arts terwijl ik een patiënt overdraag. Ik hoor mezelf praten. Differentiaaldiagnoses opnoemen die jarenlang ergens diep in mijn hoofd hebben gezeten en nu ineens weer naar boven komen. Labwaarden. Beleid. Scans. En toch voelt het alsof ik opnieuw moet leren bewegen in een wereld die ik ooit kende. Halverwege de dienst wordt het rustiger. Bijna vreemd rustig.

In de vissenkom zit iemand achterovergeleund een boterham te eten. Een verpleegkundige vertelt lachend over haar weekend. Ik drink koffie uit een kartonnen beker die eigenlijk al te lang staat. Dan gaat er een pieper af. Niet hard. Maar iedereen reageert meteen. “Post-reanimatie over vijf minuten.” Stoelen schuiven achteruit. Handschoenen worden al aangetrokken terwijl mensen richting traumakamer lopen. Niemand rent. Dat valt me direct op. Geen paniek. Geen chaos. Alleen snelheid. Routine. De dans van een team dat precies weet wanneer het moet bewegen. Ik loop mee.

Het felle tl-licht in de traumakamer maakt iedereen bleker. De monitor staat al aan. Instrumenten liggen klaar. Iemand trekt een lade open. Plastic verpakkingen scheuren open alsof de kamer zich voorbereidt nog voordat de patiënt binnen is. Mijn hartslag versnelt direct. De ambulancebroeders rijden een oudere man naar binnen. Slangen. Elektroden. Zuurstofmasker. De overdracht begint nog terwijl de brancard rijdt. Ik probeer alles tegelijk te volgen, maar merk al snel dat mijn hoofd achterloopt op de snelheid van de kamer. “Infuus aansluiten.” “Bloedgas.” “Hoe lang gereanimeerd?” De woorden vliegen door elkaar heen.

Ik trek handschoenen aan en voel ineens hoe warm mijn handen zijn. Heel even weet ik niet waar ik moet kijken. Niet wat ik moet doen. Ik probeer mee te bewegen op het ritme van de kamer, maar voel me tegelijkertijd weer even die coassistent van acht jaar geleden. Te bang om in de weg te staan.

En dan kijk ik op. De SEH-arts staat tegenover me. Midden in alle drukte vangt ze mijn blik. Geen stress op haar gezicht. Geen irritatie. Alleen een kleine knik. Rustig. Bemoedigend bijna. Alsof ze zonder woorden zegt: “Blijf bewegen. Je hoort erbij.” Ik adem uit.

Om me heen piepen monitoren verder. De verpleegkundige naast me schuift medicatie naar voren. Iemand noteert vitale functies. De kamer blijft bewegen in dat vreemde, gecontroleerde ritme. De dans van het team.

En ergens midden in die chaos voel ik het ineens weer. Waarom ik ooit verliefd werd op deze plek. De SEH-arts trekt haar handschoenen uit, kijkt me kort aan en glimlacht: “Welkom op de Spoedeisende Hulp.”