Vandaag voelt een likdoorn ingewikkelder dan rouw. Ik denk het ergens halverwege de ochtend, terwijl mijn opleider schuin achter me zit en ik hoor hoe mijn eigen uitleg stroever klinkt dan normaal.
We hebben gezamenlijk spreekuur vandaag. Dat houdt in dat we om en om patiënten zien en elkaar feedback geven. Meestal vind ik het prettig. Veilig bijna. Alsof je het dokterschap even samen draagt. Maar vandaag voel ik me klein.
Het ochtendspreekuur bestaat uit een verstopt oor, een pijnlijke heup, een tiener met buikpijn. En dan een vrouw met een likdoorn onder haar voet. Ze trekt haar sneaker uit terwijl ik mijn kruk dichterbij rol. De geur van natte schoenen en mentholzalf hangt kort in de kamer.
“Het doet vooral pijn met lopen,” zegt ze. Ik knik. Kijk naar haar voet. Kijk half naar mijn opleider, die meeluistert maar niks mag zeggen. En ineens raak ik mezelf kwijt in iets simpels. Normaal leg ik gedachteloos uit wat een likdoorn is. Drukplek. Eeltpit. Ontlasten, een zalfje, eventueel wegsnijden. Niet ingewikkeld.
Maar nu hoor ik mezelf praten alsof ik het onderwerp zelf niet helemaal begrijp. Mijn woorden lopen niet lekker. Ik merk dat ik te veel uitleg geef. Of juist te weinig. Alsof mijn hersenen harder werken door het idee dat iemand meekijkt. Of misschien ben ik gewoon moe.
Het is zo’n klein consult. Zo’n klacht waarvan je denkt: dit moet ik toch gewoon goed kunnen uitleggen? En juist daardoor baal ik van mezelf.
De rest van de ochtend blijft dat gevoel hangen. Irritant aanwezig. Niet groot genoeg om echt over te praten, maar groot genoeg om energie te kosten. Ik voel het in mijn schouders. In hoe ik nét iets kritischer luister naar mezelf dan normaal.
Later die middag zit ik weer alleen op mijn eigen spreekkamer. De zon valt scheef door de lamellen naar binnen. Als ik mijn volgende patiënte wil binnenroepen hoor ik op de gang de assistente lachen om iets bij de balie. Een telefoon gaat over. Iemand loopt haastig langs.
Dan roep ik haar binnen. Een vrouw van begin tachtig. Donkere jas. Vermoeide ogen. “Ik weet eigenlijk niet zo goed waarom ik hier zit,” zegt ze zacht. ‘Het is iets kleins, een bultje hier bij mijn vinger, maar mijn dochter wil dat ik ernaar laat kijken.’ Ik kijk haar aan. Wacht. En dan vertelt ze over haar zoon al voor ik naar haar vinger kan kijken.
Over de begrafenis vorige week en hoe stil het huis nu voelt. Hoe zijn schoenen nog steeds bij de voordeur staan omdat niemand ze durft weg te zetten. Terwijl ze praat, beweegt haar duim langzaam langs de rand van mijn bureau. Kleine, rusteloze bewegingen.
Ik zeg weinig. Alleen af en toe iets kleins. “Wat heftig.” Of: “Dat lijkt me verschrikkelijk.” Meer is er eigenlijk niet. En ergens terwijl zij tegenover me zit met een verdriet dat bijna te groot voelt voor deze kleine spreekkamer, denk ik terug aan die ochtend. Aan hoe onbekwaam ik me voelde door een likdoorn. Hoe ik twijfelde aan mezelf omdat mijn uitleg niet lekker liep. Terwijl mensen mij ondertussen hun grootste verdriet toevertrouwen.
Dat blijft vreemd aan dit vak. Dat iemand tegenover je gaat zitten met iets wat zijn hele leven heeft opengebroken… en verwacht dat jij daar even bij blijft zitten. Zelfs op dagen waarop je twijfelt aan je kunnen. Zonder dat ze het door heeft, wakkert ze het vertrouwen weer terug in mij.
“Sorry hoor,” zegt ze zacht. “Ik praat zoveel.” Ik schud mijn hoofd. “Nee,” zeg ik. “Ik waardeer het dat u dit met mij deelt.” En ik meen het.
Wanneer ze vertrekt, blijft haar verdriet in de kamer hangen. Niet zwaar of dramatisch. Meer als iets kwetsbaars dat voorzichtig is neergelegd.
Even later loopt een van de assistentes mijn kamer binnen. Ze legt een chocoladereep op mijn bureau. “Fijne Dag van de Huisarts,” zegt ze glimlachend. Ik moet lachen. ‘Wat leuk dat jij onze HAIO bent,’ staat er op het kaartje. Zo’n klein gebaar. Maar vandaag voelt het groot.